Koppelwerkwoord

17 dec 2020 | Werk en Opleiding

wat is een koppelwerkwoord

Een koppelwerkwoord koppelt

Het is niet zo moeilijk om te bedenken dat een koppelwerkwoord iets koppelt. Maar wat het precies koppelt of verbindt? Dat is kennis die bij velen van ons al even is weggezakt. We gebruiken veel taal: we spreken, we schrijven, we lezen, maar eigenlijk denken wij er te weinig bij na wat we zeggen. Een koppelwerkwoord verbindt twee delen van een zin, het ene deel van de zin is een naamwoord, dat een eigenschap van het andere deel – het onderwerp – aangeeft. De resterende zinsdelen zijn bijwoordelijke bepalingen of een indirect object, in elk geval nooit een lijdend voorwerp. (Bron Wikipedia).

Werk aan de winkel met werkwoorden

Het begint met de algemene term ‘werkwoord’, een woord dat een werking uitdrukt. Maar als je bedenkt dat er diverse soorten werkwoorden zijn, is het zaak om bij de les te blijven. De verschillende werkwoorden hebben elk hun eigen taak of functie in een zin. Ze zijn onder te verdelen in hoofdwerkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden.

Het hoofdwerkwoord is het belangrijkste werkwoord in een zin, zonder het hoofdwerkwoord heb je geen zin. Hulp- en koppelwerkwoorden zijn minder opvallend wanneer je een zin leest. In ‘het is aan het waaien’ gaat je aandacht meteen uit naar ‘waaien’, het hoofdwerkwoord dat aangeeft waar de zin over gaat. En ‘is’ is het koppelwerkwoord. 

In de zin ‘Mieke is secretaresse’ heb je te maken met het koppelwerkwoord ‘is, maar in de zin ‘Mieke is secretaresse geworden’ is ‘geworden’ het koppelwerkwoord en ‘is’ het hulpwerkwoord.

De focus op het koppelwerkwoord

Het koppelwerkwoord is niet het eenvoudigste onderdeel van de grammatica. De regels zijn bijna gelijk aan het zelfstandig werkwoord: per zin kan er slechts één koppelwerkwoord voorkomen (tenzij er sprake is van een samengestelde zin), de rest van de werkwoorden zijn dan hulpwerkwoorden.

Een werkwoord is alleen een koppelwerkwoord als het aan twee voorwaarden voldoet: 

*1 het is één van de negen koppelwerkwoorden en *2 het is vervangbaar door een van de andere koppelwerkwoorden. Dus het koppelwerkwoord koppelt het onderwerp aan een eigenschap of kenmerk, dit is het naamwoordelijk deel. Ter verduidelijking: het naamwoordelijk deel is een kenmerk of eigenschap van het onderwerp, meestal bestaand uit een bijvoeglijk naamwoord of een zelfstandig naamwoord. (Bron: jufmelis.nl).

Koppelwerkwoorden, uitzonderingen en voorbeelden

  • Zijn, kan ook als hulpwerkwoord en zelfstandig werkwoord voorkomen

Voorbeeld: ‘hij is een vriendelijke jongen’

Uitzondering: zijn als ‘zich bevinden op een plaats’

  • Worden, kan ook een hulpwerkwoord zijn

Voorbeeld: ‘zij wordt juf’

  • Blijven, kan ook een hulpwerkwoord of een zelfstandig werkwoord zijn

Voorbeeld: ‘hij blijft altijd een vriendelijke jongen’

Uitzondering: blijven als ‘niet van plek veranderen’

  • Blijken

Voorbeeld: ‘hij blijkt heel vriendelijk’

  • Lijken

Voorbeeld: ‘hij lijkt me een vriendelijke jongen’

Uitzondering: ‘ik vergelijk dit met dat’

  • Schijnen, kan ook als zelfstandig werkwoord worden gebruikt

Voorbeeld: ‘hij schijnt me nogal vriendelijk’

Uitzondering: schijnen als ‘licht uitstralen’

  • Heten

Voorbeeld: ‘hij heet Jeroen’

  • Dunken

Voorbeeld: ‘hij dunkt me een vriendelijke jongen’

Uitzondering: dunken als een onderdeel van basketbal

  • Voorkomen

Voorbeeld: ‘hij komt me niet bekend voor’

Uitzonderingen: voorkomen als ‘aantreffen’, ‘tegengaan/zorgen dat iets niet gebeurt’ of ‘verschijnen (bijvoorbeeld voor de rechtbank)’

Er zijn ook werkwoorden die niet tot de koppelwerkwoorden behoren maar wel als zodanig kunnen worden gebruikt, dit zijn raken, vallen en gaan.

Voorbeeld van raken: ‘de oude dame raakte geëmotioneerd door de mooie muziek’, met raken als equivalent van worden. 

Voorbeeld van vallen: ‘het viel hem zwaar het afscheid te verwerken’ (equivalent aan ‘zijn’).

Voorbeeld van gaan: ‘de telefoon ging al kapot voordat de garantietermijn verstreken was’, gaan is hier equivalent aan ‘worden’.

Sommige koppelwerkwoorden worden niet als zodanig gebruikt, maar worden gebruikt om een andere betekenis weer te geven, die zijn genoemd als ‘uitzondering’. Er is in dat geval sprake van een homofoon. Daarmee wordt bedoeld dat woorden, zinsdelen of hele zinnen wel dezelfde klank(en) hebben maar verschillende betekenissen hebben. Je moet dan uit de context afleiden wat er wordt bedoeld.

Als je al deze kennis nu weer opzuigt denk je misschien terug aan je middelbareschooltijd met die saaie leraar Nederlands die dit alles probeerde over te brengen. Weet je nog hoe lang zo’n les van 50 minuten kon duren? Je beseft dan dat de leerlingen van nu het best zwaar hebben, al die details uit het hoofd leren en reproduceren tijdens proefwerken en examens, a hell of a job. Niet dat ze minder communiceren, maar het gebruik van de juiste grammatica is hierbij niet het meest favoriet, ze pikken de straattaal gemakkelijker op dan deze zware kost.

Gelukkig zijn er ezelsbruggetjes, de redding van alle scholieren en studenten. Als het gaat om het onthouden van koppelwerkwoorden is dit de gemakkelijkste: ZWoBBeLS en HDV, waarbij de hoofdletters staan voor de negen genoemde koppelwerkwoorden.

Proefwerk of examen…. stressss!

Dat is gelukkig niet nodig na het lezen van dit artikel. En wil je het nog eens beluisteren, klik dan op deze link (bron: YouTube). Daar wordt aan de hand van een schema nog eens uitgelegd dat een werkwoord beschrijft om welke handeling of toestand het in een zin gaat. Elke zin heeft een werkwoord, dat een hoofdwerkwoord kan zijn als er sprake is van een actie (werkwoordelijk gezegde) of een koppelwerkwoord als er sprake is van meerdere werkwoorden en een naamwoord (naamwoordelijk gezegde). Een hulpwerkwoord helpt, kan niet zelfstandig voorkomen, alleen in combinatie met andere werkwoorden.

Mitchell en Rik bereiden zich gezamenlijk voor op het examen Nederlands en vinden het taaie kost. Na het beluisteren van de uitleg en het stapsgewijs volgen van het schema zoeken zij er voorbeeldzinnen bij. In de zin ‘we hebben de hele avond gegamed’, is ‘gegamed’ het hoofdwerkwoord en ‘hebben’ het hulpwerkwoord, dat helpt de zin op te bouwen. Werkwoordelijk gezegde is hier ‘hebben gegamed’.

In de zin ‘zij is ziek geweest’ is geweest het koppelwerkwoord en is het hulpwerkwoord.

Tenslotte de zin ‘mijn buurjongen zou leraar willen worden’. Hier is ‘worden’ het koppelwerkwoord en ‘zou’ en ‘willen’ zijn de hulpwerkwoorden. En ‘zou leraar willen worden’ is dan het naamwoordelijk gezegde.

Na deze pittige studie zien zij vol vertrouwen uit naar het examen, laat de moeilijke vragen maar komen!